Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor angststoornissen door een somatische aandoening:
  1. Zware angst, paniekaanvallen, obsessies of compulsies zijn overheersend in het klinische beeld;
  2. Uit het ziektebeeld, fysiologisch onderzoek of laboratoriumonderzoek blijkt minstens een van de volgende gevallen:
    1. De symptomen uit criterium A ontwikkelen zich tijdens of binnen een maand na de intoxicatie- of ontwenningssymptomen;
    2. Het substantiegebuik is etiologisch gekoppeld aan de stoornis.
  3. De stoornis is niet uitsluitend onderdeel van een andere angststoornis die niet in relatie staat tot substantiegebruik. Indicaties hiervan zijn bijvoorbeeld: de symptomen gaan vooraf aan het substantiegebruik (bijvoorbeeld medicijnen), de symptomen blijven langere tijd (bijvoorbeeld een maand) aanhouden na de overdosis- of ontwenningsverschijnselen of zijn duidelijk ingrijpender dan verwacht mag worden op basis van de hoeveelheid gebruikte substantie of de duur van het gebruik of er zijn indicaties van een andere niet-substantiegerelateerde angststoornis (bijvoorbeeld een historie van herhaalde niet-substantiegerelateerde episoden);
  4. De stoornis treedt niet uitsluitend op tijdens een delier;
  5. De stoornis veroorzaakt klinisch ernstig lijden of problemen in de sociale omgang, op het werk of op andere belangrijke terreinen.